home         preken      
  kerkdienst


Overweging 25 juli 2010

Bidden, haalt dat wat uit? ‘Vraagt en u zal gegeven worden, zoekt en u zult vinden, klopt en u zal worden opengedaan’, horen we in het evangelie.
Bidt u nog? Of is bidden voor u niet meer vanzelfsprekend?
Iemand antwoordde: “Het ligt eraan wat je er onder verstaat?
Ik zou wel willen bidden, maar ik kan het niet meer zoals vroeger en ik weet niet precies hoe ik het wel zou moeten doen.”
Velen van u zullen zich in dit antwoord herkennen.
Vroeger baden we vaker samen aan tafel, op school, op reis, ‘s avonds voor het slapen gaan keken mij veertien engeltjes aan.
Maar er is schroom ontstaan om zo te bidden. Met name bidden in het openbaar in het restaurant of bij familiefeesten, dat doen we niet zo gemakkelijk meer.

Toch is bidden nodig om te geloven, voor Jezus is het gebed zijn krachtbron, steeds trekt Hij zich terug om te bidden, daarom vragen zijn leerlingen Hem:
“Heer leer ons bidden.”
Hoe leren wij bidden?
Misschien door in te zien dat bidden geen vlucht is voor eigen verantwoordelijkheid, het is geen onwerkelijk wachten tot God iets doet in deze wereld. Integendeel, in plaats van vluchten is bidden juist attent en waakzaam zijn, ons laten raken door wat we zien.
Bidden is op wacht staan bij elkaars leven, bij elkaars verlangens en verdriet en het uithouden ook al zie je soms niet hoe het verder moet.

Het verhaal van de man die midden in de nacht bij zijn vriend om drie broden komt zeuren, liegt er niet om. Die drie broden lijken triviaal, maar de zaak waar het om gaat, de gastvrijheid, was blijkbaar genoeg om zijn vriend het bed uit te halen.

Abraham maakt het nog bonter. Hij blokkeert God op de weg naar de zondige steden Sodom en Gomorra. Hij begint met God te soebatten en pingelt af als een volleerd marktkoopman. Maar wat opvalt in beide verhalen is dat beide bidders niet iets voor zich zelf vragen. Abraham pleit voor de inwoners van Sodom en Gomorra, de man uit het evangelie verstoort de nachtrust van zijn buurman om brood te vragen voor een onverwachte gast.

Hoe leren wij bidden? Abraham leert ons bidden door de manier waarop hij
met God onderhandelt om de verloederde stad te redden. Het verhaal over
Abraham leert ons verschillende aspecten van bidden.
Bidden begint bij het je laten raken door mensen, die leven in een stad vol
onrecht, je laten raken door mensenkinderen in een stad van ieder voor zich,
zoals onze steden vol mensenkinderen ontheemd of beschadigd.
Abraham en de Eeuwige, beiden laten zich raken door die steden Sodom en Gomorra, vol mensen die de wereld naar de knoppen helpen.
De Eeuwige daalt af, want Hij wil weten wat er aan de hand is, staat er letterlijk, Hij wil er zijn voor mensen in het nauw.
Als de mensen zich dan toch van de Eeuwige afwenden blijft Abraham staan. Hij is er ook nog, hij probeert de stad te redden. Vanuit je betrokkenheid op mensen vechten voor toekomst dat is een kenmerk van bidden.
Omdat Abraham dat doet noemt de Schrift hem een ‘gerechte’, een rechtvaardige, vaardig in recht doen. Als er maar een paar zijn zoals hij, zal Gods plan met onze wereld verder gedragen worden.
Tien van zulke mensen zou genoeg zijn voor de vijf steden in het dal van Sodom en Gomorra, twee per stad, want in je eentje red je het niet tegen een onmenselijke samenleving, waar er twee of drie in zijn naam willen leven, daar is de Eeuwige te bespeuren. Maar er waren er geen tien!

Waar moet het met onze steden en onze wereld heen? In de Joodse Talmud staat dat er steeds in ons midden drie keer twaalf, dus zesendertig rechtvaardigen verblijven. Dat de wereld doorgaat en niet zichzelf vernietigt is te danken aan die zesendertig rechtvaardigen. We weten niet wie of waar ze zijn. Ze zijn verborgen deze mensen die God-doen. Soms wordt er een herkend.
De eerste christengemeente geeft Jezus de naam ‘Gerechte’. De niet-Joodse honderd- man onder het kruis roept: “Deze mens, was een gerechte.”

Jezus van Nazareth moet een van die 36 rechtvaardigen geweest zijn in zijn tijd. Hij kwam aan het licht, als de Gerechte Zoon van God. En zijn Geest werkt door in mensen, die rechtvaardig proberen te zijn.
In de mate dat jij ‘Gerechte’ bent, in de mate dat jij ‘God doet’, ben je ‘Kind van God’, navolger van die Jezus.

Jezus leert ons vandaag hoe we bidden kunnen om onze steden te redden. Jezus heeft van zijn ouders leren bidden in psalmwoorden.
Hij wist ook van vaders en moeders, die ontrouw waren, Hij zag mensen zonder dagelijks brood, zonder vergeving, ook Hij voelde zich soms verlaten. Toch is Hij ervan overtuigd dat God luistert naar ons bidden.
Daarom vertelt Hij dat God een vriend is, die geen stenen voor brood, geen slang in plaats van vis geeft. Onze God is betrouwbaar, is er altijd voor ons.
Daarom leert Jezus ons God aan te spreken als Onze Vader, opdat God en wij niet vergeten dat wij uit God voortkomen.
Hij leert ons te bidden ook midden in de nacht, omdat God er altijd voor ons is. Bij leert ons volhouden, blijf maar aankloppen, zoals Abraham volhield in de nacht van Sodom.
Als we zo bidden betekent dat niet dat alle onmogelijke dingen mogelijk worden. Maar je mag er wel op rekenen dat God met jou wij zijn in mensen die zich door jouw gebed laten raken. Hoe anderen door jouw gebed geraakt worden, dat is Gods zaak, dat weten we niet.
Toch kunnen we er iets van aanvoelen. Kijk maar naar al die mensen, jongeren en ouderen, u en ik die hier samen of die in stilte bidden. We praten met God over alles wat ons bezig houdt, of soms zijn we alleen maar stil, gelukkig soms of dan weer opstandig. maar verbonden met die bron van ons bestaan.
Zo biddend maken we onszelf open voor nieuwe wegen.
Zo biddend vanuit onze betrokkenheid op mensen, vanuit onze zorg voor vrede en gerechtigheid kunnen we niet aan de kant blijven staan. We moeten wel in beweging komen naar elkaar toe. Wellicht werkt zo Gods barmhartigheid, wellicht zijn er daarom steeds zesendertig rechtvaardigen die onze wereld verder dragen.

Tenslotte een verhaal dat illustreert hoe belangrijk het is dat we blijven volhouden met ons bidden. Er was eens een klein ouderwets mooi stadje in de bergen, dat zichzelf helemaal bedruipen kon, er waren slagers en bakkers, bouwlieden en schoonmakers, een dokter en een pastor, alles wat er nodig is. Alleen eentje ontbrak er, een klokkenmaker!
Op den duur gingen de klokken ongelijk lopen, niet omdat de batterijen op waren, want die waren er nog niet, je moest de klokken opwinden of de gewichten optrekken. Veel mensen namen niet meer de moeite om de klokken op te winden, toen ze ongelijk liepen. Enkelen echter hielden vol.
Op een goede dag kwam er gelukkig een klokkenmaker in het stadje. Ieder ging met zijn klok naar hem toe, maar alleen de klokken, die regelmatig in beweging waren gehouden, kon hij repareren. De anderen waren verroest. Misschien is het met ons bidden net zo.

Jan Onland